16-4-13Illustratie Eliane Gerrits

Beste buurman, Hoe maakt u het, sinds de laatste keer dat ik u zag? Onze koffers gepakt, de poezen angstig piepend in hun reismandje, de deur achter ons dichtgetrokken. Op weg naar Schiphol zwaaide u ons uit tot we de hoek omgingen.

Dat is nu een half jaar geleden. Dag huis, dag straat, dag geliefden, dag vrienden. Een vriendin stuurde me vanmorgen een website waarop onze vroegere woning werd aangeprezen. Daar stond het. Vijf verdiepingen aan die oude gracht, waar mijn leven zich twintig jaar lang afspeelde. Ik moest even slikken. De slaapkamer, waar alle drie mijn kinderen werden geboren, de schots en scheve, verzakte keuken in het souterrain waar het altijd een komen en gaan van kinderen was, en de zolder met de plankenvloer, waarop in de zeventiende eeuw de vaten levertraan werden opgeslagen. Eeuwen later klaagde men nog over de stank.

Ik hou van oude huizen, huizen met een lange geschiedenis. Het herinnert me eraan dat het nu míjn tijd op aarde is om er iets van te maken. Er waren voorgangers en er zullen weer nieuwe mensen komen. Maar nu ben ik aan de beurt.

Ik schrijf dit vanuit mijn nieuwe huis, duizenden kilometers ver van u vandaan. Op een bank voor de brandende haard. Daarboven hangt een schilderij van ons oude huis. We noemen dit ons heimweeschilderij. Het is een venster waardoor we naar ons oude leven kijken.

Alles is hier anders. Neem nu onze rode katten. In Amsterdam hadden ze één boom, een iep waar ze bij mooi weer wel eens door de voordeur naar ontsnapten, waarna ze meestal door u in hun nekvel werden gegrepen. Tot die iep werd omgezaagd omdat hij de iepenziekte had, hier overigens Dutch elm disease genoemd.

Onze dochter Charlotte schreef nog een protestbriefje dat ze op de boom prikte. „Beste houthakker, hak mij niet om. Dan kan het meisje dat hier woont niet meer naar me kijken. Ik ken haar al vanaf haar geboorte en ze vertelt me al haar geheimen.”

Het mocht niet baten, de boom eindigde in de versnipperaar. Gelukkig wist u net op tijd het verregende briefje te ontfutselen aan de vergetelheid.

Hier in Princeton kunnen de katten in een heel bos buiten spelen. In het begin waren ze daar een beetje bang van, net zoals wij, voormalige stadsmensen. Al die natuur, wat moet je daar toch mee.

O ja, het sloepje van onze zoon Matthijs is half in de gracht gezonken. Misschien kunt u daar toch nog even naar kijken. Hij was er zo trots op.

Dat ons huis nog geen nieuwe bewoners heeft gevonden, zegt vast iets over de economie. Toen wij zo’n twintig jaar geleden een huis zochten, was er niets te vinden. Maar stiekem vind ik het ook wel fijn dat er nog niemand anders woont. Dat betekent dat het huis nog steeds onze geur heeft, de echo van onze stemmen erin klinkt, onze voetstappen nog op de vloer staan.

Ik denk vaak aan die zolder daar. Het tochtte er, door het spant heen. In de zomer kon de temperatuur enorm oplopen. Duiven maakten luid koerend nesten bij het luik. Op onbewaakte ogenblikken ging ik daar wel eens heen. Dan strekte ik me uit op de vloer en sloot mijn ogen.

Het was dan alsof ik hoog boven de stad zweefde. Ik weet niet waar het precies aan lag, maar dat waren magische ogenblikken. Zo’n plek heb ik hier nog niet gevonden.

Verschenen in NRC Handelsblad, 16 april 2013